Quinten Jacobs, advocaat grondwettelijk recht, praktijkassistent aan de KU Leuven en auteur van ‘Het betonnen beleid’, stelde in een opiniestuk in De Tijd op 12 juni 2026 dat ons staatsbestel is zo duur nog niet is, gezien de deelstaten amper 8 procent wegen in de werkingskosten van de overheid. Bovendien stelt hij de burger voor de keuze: of snijden in de sociale zekerheid, ofwel een zevende staatshervorming (lees: regionalisering). Tom Zwaenepoel dient hem van antwoord.

De open brief van B Plus, waarin gepleit wordt om het taboe rond herfederaliseren los te laten om de federale begroting via een staatshervorming uit het slop te trekken, werd in De Tijd (12-06-2026) kritisch onthaald door grondwetspecialist Quinten Jacobs. Jacobs relativeert de noodzaak tot herfederaliseren, maar stelt open te staan voor goede argumenten.

Namens B Plus doe ik dat graag. Eerst een rechtzetting: B Plus pleit niet tegen een zevende staatshervorming, want herfederaliseren van sleutelbevoegdheden vereist net dat. Wel moeten we stoppen met staatshervormingen uitsluitend te interpreteren als eenrichtingsverkeer naar het onwerkbare confederalisme.

Het centrale punt van Jacobs dan: ons staatsbestel is zo duur nog niet, daar een studie van de Nationale Bank (NBB) aantoont dat de deelstaten amper 8 procent wegen in de werkingskosten van de overheid. Maar het gebruik van dat cijfer is een fundamentele misvatting, daar die kost enkel slaat op een specifieke subcategorie voor puur politieke en fiscale kerninstellingen. Dit getal zegt dus helemaal niets over de werkelijke kost van de doorgeslagen regionalisering.

Vele brooddozen blijven leeg, ondanks vier administraties

Toen de federale kinderbijslag bij de zesde staatshervorming werd opgedeeld in vier aparte systemen, verhuisden de operationele kosten in de statistieken naar de categorie 'gezin en kinderen', dus buiten die 8% voor algemeen bestuur. Het resultaat? Een verlies aan schaalvoordelen waardoor de Belg vandaag per capita méér bijdraagt aan de kinderbijslag dan de Fransen of Nederlanders. Bovendien werd er volgens het Federaal Planbureau (2021) sindsdien nauwelijks winst geboekt op het vlak van kinderarmoede.

Buitenlandse Handel: van 380 naar 1.250 ambtenaren

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor exportpromotie. De centrale Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel werd destijds opgesplitst in drie gewestelijke agentschappen, plus een federaal instelling voor prinselijke missies en het bijhouden van nationale exportstatistieken. Dus ook hier een viervoudiging van administraties en een stijging van het aantal ambtenaren van 380 naar circa 1.250.

Regionale toename van voltijdsequivalenten

Dit alles past in de bredere trend die denktank Itinera in 2024 blootlegde: tussen 2017 en 2022 steeg de tewerkstelling in de publieke sector met 4,9% in voltijdsequivalenten. Terwijl het federale niveau door natuurlijke afvloeiing afslankte, explodeerde het personeelsbestand buitenproportioneel bij de gewesten en gemeenschappen.

Het is dan ook bizar dat Jacobs een detailgrafiek gebruikt om de huidige decentralisatie te relativeren, terwijl de hoofdconclusie van exact dezelfde NBB-studie luidt dat de Belgische overheidsuitgaven structureel véél te hoog liggen in vergelijking met de buurlanden. Uit de hierboven aangehaalde cijfers blijkt net dat dit te wijten is aan de institutionele complexiteit en inefficiëntie.

De wet van de schaalvoordelen

Ook Jacobs’ vergelijking met het unitaire Nederland loopt mank. Hij wijst op gelijke werkingskosten, maar negeert dat de totale Nederlandse overheidsuitgaven (43% tot 46% bbp) een flink stuk lager liggen dan de Belgische (53% tot 55% bbp). Geen onbelangrijk detail, gezien de breed verspreide indirecte kosten van ons staatsbestel.

En anderzijds bevestigt dit cijfer net dat een schaalvoordeel een veel belangrijker rol speelt dan Jacobs aanneemt.  Vlaanderen (6,7 miljoen) en Wallonië (3,7 miljoen) zijn veel te klein om voor complexe materies als Energie of Mobiliteit een optimale schaal te bereiken. Net de door hem aangehaalde NBB studie illustreert dat onze grote buurlanden bewijzen dat omvang de vaste kosten per hoofd drukt. Bovendien creëert de opdeling in twee blokken, die ook in Brussel opereren, allerminst een schaalvoordeel, maar parallelle administraties voor nog eens een kleine bevolkingsgroep. Dat jaagt de kostprijs per capita omhoog.

Ook Jacobs’ voorstel om gezondheidszorg volledig te regionaliseren voor een betere afstemming tussen preventie en curatie, snijdt geen hout. Dat doel bereik je evengoed via herfederalisering, maar dan met afbouw van overtollige administraties. Bovendien keert regionale financiering zich tegen Vlaanderen, daar het sneller vergrijst dan Brussel en Wallonië. Waardoor het er, gegeven de afgenomen solidariteit van jong naar oud, op termijn vooral zelf bekaaid van afkomt.

Ik hoop hierbij tegemoet te zijn gekomen aan de vraag van Quinten Jacobs, om goede argumenten aan te reiken voor een herfederalisering van bepaalde bevoegdheden. Dit decennialang bestaande taboe wordt bij een volgende staatshervorming dus best losgelaten.

Valse tegenstelling

Tot slot wil ik waarschuwen voor de valse tegenstelling die Jacobs ons voorschotelt: óf een zevende staatshervorming (lees: regionalisering), óf snijden in de sociale zekerheid. Een verdere boedelscheiding leidt niet tot budgettaire discipline, maar verhoogt enkel het overheidsbeslag en de institutionele inefficiëntie. Regionalisering lost die chaos niet op, ze betonneert ze. Herfederalisering van sleutelbevoegdheden, gekoppeld aan een normenhiërarchie naar Duits model, biedt meer waarborgen dan het grijsgedraaide splitsingsmantra.

Immers, uiteindelijk zitten we allemaal in hetzelfde bad. Door de EU bijvoorbeeld, worden we op ons nationaal resultaat afgerekend, terwijl de politiek er maar niet in slaagt om haar regionale bril af te zetten. In dat kader verwelkomen we overigens Jacobs’ steun aan het voorstel van B Plus voor de oprichting van een federale kieskring, die daar een belangrijk deel van de oplossing kan zijn.